De man die besmettelijk was

De man die besmettelijk was

Adar is vreselijk alleen. Adar is melaats. Hij heeft een heel erge huidziekte, die besmettelijk is. Als je Adar aanraakt, kun je zelf ook ziek worden. Daarom mag Adar niet gewoon in het dorp wonen, bij zijn familie en vrienden. Hij woont in een hutje op veilige afstand van de andere mensen. Er bestaat geen pilletje of zalf om hem beter te maken. Er is geen dokter die weet hoe hij hem beter kan maken. Zelfs de knapste dokter niet. Adar is melaats en vreselijk alleen. En weet je wat het ergste is? Als Adar zich heel erg alleen voelt, begint hij wel eens te twijfelen. Zou God niet van hem  houden?

 

Vandaag is Adar een beetje zenuwachtig, omdat hij heeft gehoord dat Jezus in de buurt is. Van Jezus heeft hij al zo veel bijzondere dingen  gehoord. Jezus geneest mensen die heel erg ziek zijn. Zo ziek, dat geen dokter hen kan helpen. Zelfs de allerknapste niet. Maar Jezus kan de mensen helpen.

 

Adar is een eindje bij zijn hutje vandaan gelopen, zodat hij de weg in de gaten kan houden. Als er mensen aankomen, pakt hij zijn houten klepper en begint hij er lawaai mee te maken. Hij roept: ‘Ik ben melaats! Ik ben melaats! Uit de buurt blijven!’ Zo waarschuwt hij iedereen  en de mensen lopen met een grote boog om hem heen. Adar ziet in de verte een groepje aankomen. Zou daar Jezus bij zijn? En ja hoor, als het groepje dichterbij komt, zie hij Jezus.

 

Hij komt stapje voor stapje dichterbij. Nu pakt Adar zijn houten klepper niet. Nu begint hij geen lawaai te  maken. Nu begint hij niet te roepen. Nu loopt hij zomaar naar Jezus toe. De mensen willen Adar tegenhouden. Hij mag niet bij Jezus komen, anders wordt Jezus ook ziek. Maar Jezus stopt niet. Hij is niet bang voor zieke mensen. Jezus voelt diep medelijden met deze man. Als Adar vlakbij Jezus is, valt hij op zijn knieën. Nu hij zo dicht bij Jezus is, verdwijnt de zenuwachtigheid; Adar is niet bang voor Jezus.

 

‘Jezus, als U het wilt, kunt U mij beter maken!’ Jezus zegt niets. Maar wat doet Hij? Hij steekt zijn hand uit en pakt Adar vast. Hij raakt hem aan, terwijl hij besmettelijk is! Jezus is niet bang om ziek te worden. Dan zegt Hij: ‘Natuurlijk wil Ik, dat je beter wordt’! En de vieze plekken op Adars huid verdwijnen. En de zweren en  korsten verdwijnen. Adar kijkt naar zijn armen en handen en voeten. Adar voelt aan zijn voeten. Hij is gezond! Zijn huid is weer zo zacht als een babyhuidje!

 

Hij is weer gewoon de oude Adar! Nee, hij is een nieuwe Adar, want Jezus heeft hem aangeraakt en hem beter gemaakt. Adar kan weer vrienden maken en bij zijn familie op bezoek. De oude  nieuwe Adar, die weer in een gewoon huis in het dorp kan wonen! Adar begint te springen en te dansen en te rennen en te hollen.

 

Hij vertelt aan iedereen die het maar horen wil, wat Jezus voor hem gedaan heeft. Nu weet Adar zeker dat God van hem houdt, want Jezus heeft hem aangeraakt en beter gemaakt! Adar is niet meer alleen. Adar houdt van Jezus en Jezus houdt van Adar.

 


Dit verhaal staat in de Bijbel. Je vindt het in het boek van Marcus. Kijk maar eens in hoofdstuk nummer 1 en dan begin je bij nummertje (vers) 40.